Zaterdag 21 november. Waarschijnlijk ben je vannacht thuis gekomen. Want je ochtendbrokken gingen er goed. Je bent al een paar dagen onrustig. Fred heeft het er al over om je vast te zetten. Op Fred z’n fluitje reageer je niet en mijn geroep interesseert je al helemaal niet. Jij bent met hele andere dingen bezig. Ik geef je hormonen de schuld en gun je die vrijheid. Overdag kijk je in de verte en ben je soms uren weg. Joey eenzaam achterlatend. Zelfs voor het avondeten ben je gisteravond al weggegaan. Niks voor jou. Jij die alleen maar aan eten denkt. Vandaag heb je alweer geen rust in je kont. Je eten is nog niet eens in je maag verdwenen als je alweer weg rent. Je neus achterna, letterlijk. ’s Avonds bij het avondeten ben je nog niet thuis. Ze is vast erg mooi en lekker he knul.
Zondag. Geen Banjer. Vreemd. Maar ik weidt het aan je leeftijd. Die komt vast wel weer te voorschijn. We fluiten en roepen. Rijden met grote bochten om als we naar het dorp moeten of ergens anders naar toe.
Maandagmorgen. Ik lig nog in bed als ik schrik van een geluid. Het geluid komt bij Joey vandaan. Joey maakt een hartverscheurende snik die bijna uit z’n staart komt. Ik kan het niet plaatsen en wordt ongerust. Is mijn gevoel dan toch juist? Waar is Banjer dan vraag ik hem? Hij kijkt me aan en kijkt dan rond. Ik kan m’n draai niet vinden en kijk bijna elke minuut naar buiten. Loop met Joey een rondje en vraag ‘m steeds waar Banjer is. Hij huilt zachtjes en loopt in een rechte streep naar de bosjes aan de zijkant. Maar gaat dan uitgebreid plassen. Ook Joey is onrustig. Maar dat kan ook door ons komen denken we.
Dinsdagmorgen. Hetzelfde ritueel met Joey. Het huilende geluid is niet meer zo sterk maar is er nog wel. Ik doe m’n dingen op de automatische piloot. Ik wil gewoon niet het ergste denken. Als Fred thuis komt van het werk rijden we de omgeving af. Fluiten en roepen. Maar het wordt gauw donker. Half vijf zie je niets meer.
De woensdag gaat voorbij. Joey hoor ik niet meer. De spanning loopt op bij mij maar ik wil niets laten merken. Ik slaap slecht en let op elk geluidje. Hoor ik daar het slobberen in de bak water? Elke blaf van de buurhonden verwar ik met die van Banjer en loop steeds naar buiten of hij daar misschien gewoon aan komt lopen. Ook Fred heeft het er moeilijk mee maar heeft afleiding van z’n werk. Ik kijk op internet bij het dierenasiel. Donderdag krijg ik een idee. Als we es aan de buurjongen vragen of hij bij z’n vriendjes misschien kan informeren. Ik heb het er tussen de middag over met Fred en deze zal gelijk gaan vragen voordat hij weer terug naar z’n werk gaat. Als hij ’s middags terug komt merk ik dat er iets is. Hij heeft inderdaad geinformeerd bij de buurjongen en deze vroeg of Banjer allang weg was. Zo ja, dan waren er jagers, pief, paf poef. Einde Banjer. En dan had het geen zin om te informeren. Had hij geen zin of wist hij iets? Dat zeggen we nu achteraf. Wanneer Fred het verhaal aan z’n moeder vertelt beaamt deze het verhaal. Ik word helemaal pissig en heb het helemaal gehad met de Hongaren. De kortzichtigheid, de mentaliteit, alles! Maar Fred had het ook met de collegaas op het stadhuis erover gehad. En ook deze zagen het somber in.
Alle emoties die de afgelopen week opgespaard zijn komen eruit. Ik ben boos heel boos. Ik ben verdrietig heel erg en ook bij mij komen de snikken uit m’n tenen. Ik kan en wil het gewoon niet geloven. Dit heeft Banjer niet verdiend. Er zat geen spatje kwaad in. En hij leek toch echt niet op een hert of vos. Ik begrijp het niet. We hebben allebei weinig zin in eten.
Vrijdag besluiten we wat boerderijen af te gaan die wat verder weg liggen. Want waar is hij in die tijd geweest? Bij een boerderij met schapen horen we dat daar een teefje rond loopt. Bij de andere boerderijen zijn het allemaal reuen. Ze heeft ‘m niet gezien. Bij de volgende boerderij krijgen we te horen dat hij 3 dagen geleden nog gezien is in gezelschap van een andere hond met riem om. Dat wordt bij de volgende boerderij bevestigd. Zie je wel, echt niet doodgeschoten. Gewoon van het leven genoten. We wisselen telefoonnummers uit. Er ligt volop, merken we, eten rondom de boerderijen. Nee voor het eten hoefde hij dus niet naar huis. Het doet me wel pijn. We roepen en fluiten. We hebben weer hoop. Als het donker wordt gaan we weer naar huis. Zaterdag is het alweer een week geleden. We informeren nu es bij de boerderij pal achter ons. Maar ook daar krijgen we al snel te horen dat er jagers bezig geweest zijn. De buurman is zelf illegaal jager. Ja dat weten we. Wist hij iets? Zondag gaat voorbij en we besluiten maandag naar het asiel in Kecskemét te gaan. Fred vraagt het adres aan één van z’n collegaas. Ze leven allemaal mee. In het dierenasiel zitten 200! honden in hokken. Wat lijkt mijn verdriet dan klein. Ik vind het moeilijk om ernaar te kijken. Ongelofelijk. Ze adviseren ons om naar Tiszakécske te rijden. In Tiszakécske zit de wegenreiniging en onderhoud. Als we in de auto zitten ziet hij dat de burgemeester heeft gebeld. Een van z’n collegaas heeft bezoek gehad van een boerin van één van de boerderijen waar we langs zijn geweest. We rijden ernaar toe. En ja. Banjer is nog geen 2 uur geleden gezien. We roepen en fluiten en rijden naar huis in de hoop dat hij daar is. We krijgen weer hoop…
Dinsdag rijden we toch maar naar Tiszakécske. Nee niets. We rijden nog es naar de boerderij die Banjer voor het laatst zou hebben gezien. Ja ze wist het zeker. Onze buurmeisjes liepen met hem mee. Eigenlijk geloven we het verhaal van de buurvrouw niet en we gaan es bij onze buren informeren. Dat hondje, ja dat was het hondje van de buren. Kleiner en wat gevlekter. Met een beetje fantasie… Ook deze buren zeggen dat het dan toch een jager geweest moest zijn. Ze biedt haar excuses aan. Voor wat? Maar het is lief bedoeld. Zo slecht zijn die Hongaren niet. We besluiten om er een punt achter te zetten. We zoeken niet meer. We kijken onbewust toch wel rond maar niet meer intensief. Het is een speld in een hooiberg. Waar zou hij liggen. En waren die laatste uren dan toch wel leuk geweest. Zo met zo’n lekker teefje. We hopen het echt en misschien, je weet het nooit, loopt er over een poosje wel ergens in de buurt een klein Banjertje rond. Dan heb je het goed gedaan knul!